De Oneindige Zee

Gepost op: 20-7-2026

Auteursnoot: Dit is één van de leukte verhalen die ik heb geschreven, al zeg ik het zelf! Het is avontuurlijk, grappig en af en toe magisch, en buiten deze website is het ook in Het Boekenspektakel te vinden, als je liever een fysiek boek leest. De Oneindige Zee schreef ik toen ik 11 jaar was, dus  bereid je voor!

De Oneindige Zee

Noor van der Louw - 2023

Er was eens... een dorpje aan de rand van de wereld. De wereld was het dorp vergeten en het dorp was de wereld vergeten. Dat kwam omdat het dorpje aan drie kanten omringd werd door heuvels. Bij de heuvels was het altijd erg mistig en iedereen die erin liep, kwam nooit meer terug.

De mensen van het dorp konden ook niet naar het noorden. Daar waren geen heuvels, maar wel een eindeloze zee. Ook daar hing veel mist. En ook hier was het hetzelfde verhaal: iedereen die het waagde om deze zee te bevaren, werd nooit meer terug gezien. 

Vele jaren gingen voorbij zonder dat het dorp iets hoorde van de buitenwereld. Tot op een dag...

Op die dag kwamen er mensen vanachter de heuvels vandaan. Het waren ontdekkingsreizigers! Zij vertelden over de wereld achter de heuvels, over bergen, vulkanen en steden van ijs. Vele dorpelingen werden aangetrokken door deze verhalen en gingen op onderzoek uit. Het grootste deel van deze mensen kwamen niet meer terug, maar dat was omdat het zo geweldig was achter de heuvels. Dat hoorden de thuisblijvers van het kleine aantal dat wél terugkwam. Die vertelden dat de verhalen waar waren en dat alles nog beter was dan ze ooit hadden gedacht! 

Sommige dorpelingen vonden het maar niets, dat iedereen vertrok. Ze klaagden en waarschuwden de vertrekkers dat de buitenwereld gevaarlijk was (niet dat iemand naar die brompotten luisterde). 

Eén van die ontdekkingsreizigers was Hoop. Zij had de hele bekende wereld verkend en was op zoek naar een nieuw avontuur. Op een dag keek ze naar de zee en kreeg een idee: ze zou de Eindeloze Zee verkennen!

Veel mensen protesteerden (en niet alleen de brompotten). Ze wist toch hoe gevaarlijk het was? Mensen kwamen nooit mee terug van tochten over die zee!

Maar Hoop luisterde niet naar die mensen. Met haar vijftien bemanningsleden bevoer ze met haar schip Rán’s Hoop de woelige baren.

Het eerste bemanningslid heette Wallem. Eigenlijk heette hij Willem, maar iedereen noemde hem Wallem omdat er altijd een walm om hem heen hing. Begrijp me niet verkeerd, het was geen vieze walm. Het was juist een lekkere walm, die rook naar knoflook en kruiden en tomaten. Wallem was namelijk een kok. Hij maakte de lekkerste stamppot en de sappigste soep en de smeuïgste tomatensaus.

Wallem had het een beetje gehad met de knoflook en kruiden en tomaten van thuis... hij wilde iets nieuws! En daarom had hij besloten om samen met Hoop te reizen.

De tweede die met Hoop meeging, was de woeste Fiona. Ze was een oud schoolvriendinnetje van Hoop en zo sterk als een os. Ze kon stenen zo groot als die van Stonehenge optillen. Ze kon zelfs een paardenkar optillen, met paard en al! Noem het maar en zij tilde het op!

Maar dat wilde Fiona allemaal niet. Zij wilde een schip besturen, met haar rode haren wild wapperend in de wind. Ja, dat wilde ze! En dus ging ze met Hoop mee. 

Fiona vond haar naam niet zo mooi. Bij “Fiona” dacht iedereen altijd aan een lief, hulpeloos klein meisje, en dat was zij helemaal niet. Daarom wilde ze Jackie genoemd worden.

Een derde kandidaat had zich gemeld. Haar naam was Mare. Zij stond bekend om haar ongelooflijk sterke band met de zee. Ze kon uren tot haar knieën in het zoute water staan, helemaal in haar flow. Ze werd in het dorp vaak uitgemaakt voor freak, maar dat kon haar niets schelen. Mare was pas veertien, maar het was heel handig om haar bij je te hebben. Ze wist precies wanneer het eb en vloed zou zijn, wanneer het zou stormen en wanneer het juist rustiger werd. Ook kende ze bijna alle geheimen van de zee.

Het vierde lid heette Po. Po’s naam was eigenlijk Potter. Maar men noemde hem ook Po, omdat hij graag op het podium stond. Hij was de beste amateur-zanger van het hele dorp. Als er een feest was, werd hij uitgenodigd. Was er een verjaardag, mocht hij een toneelstuk opvoeren. Was er een trouwerij, haal Po er maar bij, dan werd het nog iets!

Het probleem was, dat Po alle feestjes wel gezien had. Hij wist precies wanneer iedereen jarig was en hij was ook al duizend keer op die verjaardagen geweest. Hij had al zijn toneelstukjes al honderden keren gespeeld. 

Om al deze redenen wilde Po een nieuw podium. En toevallig hoorde hij van Hoops missie. Meteen werd hij enthousiast. Een schip, dat was pas een mooi podium! Hij zag het al voor zich: Po, de Zeevaarder. 

Po had ook een hond: Poeder de Poedel. Hij was zo wit als poedersuiker. En Poeder was dol op Po. Waar Po ging, liep Poeder hem achterna. Zo kwam het dat Poeder de mascotte van het schip werd.

Onze nummer zes heette Lodewijk. Hij was één van de twee mensen die vanachter de heuvels kwam. Hij was zeebioloog. Dat beroep had hij gekozen omdat hij zijn hele jeugd bij de zee had gewoond had. Niet de Eindeloze Zee, maar de Zee aan de Zuidkust. Hij had de zee altijd al fascinerend gevonden. Om deze reden konden hij en Mare het goed met elkaar vinden. Toen hij hoorde van de Eindeloze Zee en Hoops missie, wilde hij graag mee voor onderzoek. 

Vlak daarna meldde zich nog een man. Zijn naam was Guus, Guus D'Ouwe de Dappere. Guus had een normaal leven. Hij had een vrouw, maar die was twee jaar geleden overleden. Hij had ook kinderen, maar die durfden niet veel. Ze durfden niet naar feestjes. Ze durfden niet eens hun straat uit! Guus vond ze maar bangeriken. Hij was zijn normale leven een beetje zat. Dus meldde hij zich meteen aan bij Hoops bemanning. Guus was al over de zestig, met grijze haren en al, maar hij dacht: als ik nog iets wil beleven, is dit mijn kans.

De echte naam van het achtste bemanningslid was Jan, maar iedereen noemde hem Tatiku. In de oude taal betekende dat “walrusjager”. Het verhaal ging namelijk dat Jan ooit een walrus had gedood. Op een dag kwam hij terug van vissen met een walrus op zijn schouders. Hij beweerde dat hij hem zelf gedood had, maar alleen de zee weet het zeker.

De negende die mee wilde gaan, was Zoë. Ze was een meisje van een jaar of zestien, zeventien vanachter de heuvels. Ze was benieuwd naar dat kleine dorpje aan de rand van de wereld waar ze zoveel van had gehoord. Maar toen ze er aankwam praatte iedereen over Hoop en haar missie. Na het hele verhaal gehoord te hebben, kreeg Zoë wel zin in een avontuur op zee. Ze had geen idee waar ze mee bezig was, maar ze ging toch mee.

Het schip had natuurlijk ook een visser nodig. En die visser was Bob. Hij was een beetje een rare visser. Hij viste namelijk met een net, echt zo’n klein visnetje op een stok. Alle andere vissers lachten hem aanvankelijk uit, want hoe vang je nou vis met een netje? 

Maar wat ze niet wisten, was dat Bobs net magisch was. Het kon groot genoeg worden om een baby-walvis in te vangen! Door zijn net was hij één van de beste vissers van het dorp.

Er was ook een gezinnetje van twee dat meeging: moeder en dochter. De dochter heette Milly en ze noemde haar moeder altijd momka. Milly’s vader was ook ooit met een schip meegegaan, maar die was nooit meer terug gekomen. Daarom gingen Milly en momka met Hoop mee: om hem te zoeken.

 

‘Wacht... dus jullie willen mee?’ Hoop trok één wenkbrauw op. ‘Jullie. Drie oude vrouwtjes. Op een boot.’ 

Voor Hoop stonden Erna, Gerda en Petra, drie oude omaatjes uit het dorp. Ze waren zussen en iedereen in het dorp vond ze een beetje op heksen lijken. Overigens waren ze wel erg lief.

‘Maar... waarom? Waarom willen jullie mee op mijn schip?’

‘We willen nog wat meemaken op onze oude dag,’ antwoordde Erna.

‘Oké... maar wat heb ik aan jullie?’ vroeg Hoop. ‘Wat kúnnen jullie?’ 

‘We kunnen breien,’ zei Gerda schouderophalend.

Sceptisch keek Hoop de drie aan. ‘Breien? Dat is alles? En roeien dan? En hozen en zeilen hijsen? Of het dek schrobben? Kunnen jullie dat?’ 

‘Nee, helaas niet,’ bekende Petra. 

‘Maar je zal meer aan ons hebben dan je denkt,’ voegde Erna snel toe.

Hoop zuchtte en rolde met haar ogen. Was dit het beste wat ze kon krijgen? Drie oude vrouwtjes? Waarom had die jongeman van verderop zich niet gemeld? Die is erg sterk, die kan vast goed roeien of hozen of het zeil hijsen of zoiets.

Ze keek naar de drie dames. Kon ze hier zog onderuit? Ze stonden al op het dek. Ze hadden hun koffers al gepakt...

Nou ja, wat moet, dat moet.

‘Jullie mogen mee,’ vertelde Hoop de drie dametjes.

~

Hoop liep haar schip op. Voor haar stonden haar vijftien bemanningsleden met hun bagage. Ze bekeek het groepje eens goed. Wat een malloten, dacht ze. Straks vaar ik op zee met een boot vol malloten. Misschien moet ik mijn schip omdopen tot "de Mallotenboot". 

Hoop rechtte haar rug. Niet zo negatief, Hoop! Het is jouw missie, dus het gebeurt op jouw manier. Liever een boot vol malloten dan een boot met niemand.

Ze richtte zich tot het groepje. ‘Welkom, iedereen. Jullie hebben het dus gewaagd om dit avontuur aan te gaan. Jullie zitten een hele tijd met elkaar opgescheept, dus wen er maar vast aan.’ Een paar mensen grinnikten.

‘Het duurt nog een week tot we vertrekken, maar ik heb vast een kamerindeling gemaakt. De vrouwen en mannen houden we gescheiden. In de 1e kamer liggen Mare, Zoë, Milly en de moeder van Milly. Erna, Gerda, Petra en Fiona...’ Jackie trok een wenkbrauw op, ‘...eh, ik bedoel Jackie liggen in de 2e kamer. In kamer drie liggen Guus D'Ouwe, Bob en Lodewijk en in de laatste kamer liggen Wallem, Po, Poeder en Tatiku. Ik leid jullie naar de kamers.’

Elke kamer was zo goed als identiek. Op de deur hing een koperen plaatje met het nummer van de kamer erop. In de kamers zag je links en rechts een stapelbedstee (dat houdt in dat er twee bedstee-bedden boven elkaar zijn). Naast elk bed zat een kastje voor kleren en andere bezittingen. Aan de achterwand zat een klein, rond raampje met eronder een bureau met twee stoelen. Op de vloer lag een vrolijk kleed en aan het plafond hing een olielamp.

Zoiets als een kamerindeling kan nooit echt goed gaan. Er komt altijd wel ruzie van. Ook Hoop hoorde na een paar minuten al woedend geschreeuw uit het ruim komen.

Het geluid kwam uit kamer 4. Po en Tatiku stonden boos tegenover elkaar. Hoop stak een bezwerende hand op. ‘Ho, rustig! Wat is er aan de hand?’ 

Tatiku wees naar Po. ‘Hij wil dat de hond zijn eigen bed krijgt!’ riep hij.

‘Die hond heeft een naam!’ schreeuwde Po terug. ‘Hij heet Poeder! En waarom heb je er zo’n groot probleem mee? Er is toch een bed over?!’

Boos wendde Tatiku zich tot Hoop. ‘Ik wil niet met iemand zoals hij in één kamer slapen. Kan ik niet naar kamer 3?’

Verbaasd door het initiatief stamelde Hoop: ‘Euhm... ja, dat kan op zich wel... Als Wallem tenminste niet ook ergens anders wil slapen,’ voegde ze eraan toe. 

Maar Wallem haalde zijn schouders op. ‘Ik vind het niet erg,’ zei hij. 

‘Dan ga ik nu!’ riep Tatiku, die zijn spullen bij elkaar zocht en vertrok.

‘Wat een blaaskaak,’ mompelde Po.

Po overdreef niet. Sinds Tatiku die walrus had gedood en omgedoopt was tot hoe hij nu heette, had hij een enorm ego gekregen. Maar ja, er was nog een plaats over in kamer 3, dus wat maakte het uit? Tatiku tevreden, Po tevreden, iedereen tevreden.

~

Er kwam niemand om hen uit te zwaaien. 

Alleen Mare’s oude vader was er nog even. De rest van het dorp dacht: Ja doei, die zien we nooit meer terug!

De week van voorbereidingen verliep best soepel. Er kwam wel af en toe ruzie, zoals die ene keer dat Fiona, eh, Jackie de opslagruimte uit sprintte en riep: ‘Waarom ligt het halve ruim vol met breiwol?!’

Uiteraard was dat de schuld van Erna, Gerda en Petra, die hadden bedacht dat ze de hele reis niets anders te doen zouden hebben dan breien. Hoop moest de kokende Jackie, die altijd alles op de efficiëntste manier wilde doen, kalmeren voordat ze Gerda aanvloog. Uiteindelijk werd driekwart van alle wol eruit gehaald.

De drie oude zussen klaagden: ‘Wat nou als we niet voor iedereen een trui kunnen breien?’ Hoop zei dat ze haar dan wel mochten overslaan, maar dat wilden ze niet. ‘Jij was veel te aardig om ons mee te laten gaan!’ En Hoop bedacht dat het misschien toch geen vergissing was geweest om de omaatjes mee te laten gaan

Maar nu was het eindelijk tijd om te vertrekken. Mare en haar vader hadden afscheid genomen, alle spullen en al het eten (genoeg voor twee jaar) was ingepakt. Jackie en Tatiku hesen het zeil van Rán’s Hoop en de bemanning vertrok.

~

Al na een paar weken merkte Hoop dat er een innige vriendschap ontstond tussen Mare, Milly en Zoë. Dat vond ze fijn, voor Mare, omdat zij nooit een echte vriendin had gehad, voor Milly, om haar op te beuren (ze was nog steeds verdrietig om haar vader), en voor Zoë, omdat zij niemand kende (zelfs Lodewijk niet). Als Milly’s moeder, die we voor het gemak gewoon momka noemen, klusjes moest doen op het dek, zaten de drie meisjes vaak samen te giebelen en te lachen op kamer 1. Milly was de jongste (ze was net dertien geworden), na haar kwam Mare, die al lang en breed veertien was, en de oudste van het stel was Zoë, die over een paar maanden zestien zou worden. Mare en Milly waren iets closer dan met Zoë, omdat er meer leeftijdsverschil tussen haar en de andere twee zat, maar eigenlijk maakte het weinig verschil.

De bemanning had natuurlijk een indeling. Iedereen had zijn of haar eigen taak. Meestal stond Hoop of Fiona... nee, Jackie aan het roer. Bob en Tatiku beheerden het zeil. En als het windstil was, roeiden Wallem, Jackie, Po, Lodewijk, Guus D'Ouwe, Tatiku, Bob en momka.

Wallem en Bob verzorgden het eten. Soms liet de bemanning zich verrassen door andere leden zoals momka of Erna, Gerda en Petra. Milly, Mare en Zoë deden meestal de overige klusjes, zoals de was, afwassen en het dek schrobben. Ze klaagden niet, want ze waren brave meisjes die allang blij waren dat ze mee mochten. 

Als het stormde of koud werd, breiden Erna, Gerda en Petra gewoon voor iedereen wat truien (dat gezeur over niet genoeg wol was onzin; één achtste van het voorraadruim was hartstikke veel).

Als Hoop wilde weten of het ging stormen, vroeg ze het Mare. Die gaf meestal binnen een uur antwoord. Soms duurde het wat langer, dan ‘was het een wispelturige dag’. Een paar keer wist ze het in tien minuten, dan was de zee heel duidelijk.

Lodewijk hield een logboek bij over zijn tijd op het schip. Deels omdat Hoop hem dat opgedragen had, maar ook deels voor hemzelf, want hij vond het eigenlijk wel leuk om een verslag te schrijven. Ook al was er niet echt iets om over te schrijven, behalve misschien de voortdurende akkefietjes tussen Tatiku en Po die Hoop steeds probeerde te sussen. Die twee waren na de ruzie in kamer 4 niet minder vijandig geworden. Eigenlijk is Tatiku heel onredelijk, maar hij is te trots om het toe te geven, schreef Lodewijk na de zoveelste woordstrijd. Hopelijk kan Hoop hun gekibbel sussen. Ze heeft in haar tijd op Rán’s Hoop een hoge reputatie opgebouwd. Ze is een erg goede kapitein. 

Lodewijk schreef er niet bij waaróm hij Hoop zo’n goede kapitein vond. Lodewijk was namelijk een beetje verliefd op Hoop. Maar hij dacht niet kans te maken door Bob en Wallem. Hij was maar een suffige geleerde en niet een sterke visser, zoals Bob, of een geweldige kok zoals Wallem.

Wat Lodewijk niet wist, is dat Hoop stiekem ook verliefd was op hem. Maar zíj dacht dan weer geen kans te maken door Fion-... Jackie. Die was sterk, maar ook liefhebbend en beschermend. Hoe kon zij daar aan tippen? 

Goed nieuws voor Lodewijk: hij zou, na één jaar op zee, eindelijk iets spannends te schrijven krijgen.

~

Het was een zonnige, rustige ochtend op zee. De gebruikelijke gang van zaken was bezig toen de zee wild begon te golven. De bemanning had moeite om in evenwicht te blijven. 

‘Mare!’ riep Hoop. ‘Je zei dat het niet ging stormen vandaag!’ 

‘Het stormt ook niet, mevrouw kapitein Hoop!’ riep Mare terug.

Het was waar. Er was geen vuiltje aan de lucht. ‘Wat is er dan aan de hand?’ riep Milly angstig. 

Milly kreeg haar antwoord snel. Opeens rees er een enorme, nee, kolossale tentakel uit de oceaan die het schip zo van de golven plukte. Meerdere mensen gilden en Tatiku schreeuwde paniekerig: ‘Wat IS dat?!’

Lodewijk was de enige die er kalm onder bleef. ‘Erg interessant...’ mompelde hij terwijl hij de tentakel bekeek. ‘Fascinerend...’ 

‘Sufferd!’ gilde Tatiku. ‘Dat schepsel is helemaal niet fascinerend, hij is enorm en levensgevaarlijk!’

Op dat moment, alsof het afgesproken was, rees de kop van het ding uit het water op. De kop was nog gigantischer dan de tentakel. Het had nog het meest weg van en reusachtige inktviskop. Hij had meedogenloze, rode ogen en een gemene grijns op zijn verwrongen gezicht. 

Nu raakte Lodewijk in paniek. Hoe gaan we dit enorme, gewelddadige monster verslaan? dacht hij. 

Toen gebeurde er iets raars. 

Een lichtstraal ketste af op de schubben van het monster. En die lichtstraal kwam uit de richting van... Erna, Gerda en Petra.

Petra hield één van haar breinaalden opgeheven naar het octopusachtige monster. Vol ongeloof knipperde Lodewijk met zijn ogen. Ook anderen waren verbaasd. Wallem onderdrukte een kreet van verrassing. Iedereen dacht hetzelfde: kwam die lichtstraal uit die breinaald?!

Het monster gromde. De lichtstraal was niet erg schadelijk voor hem, maar het deed wel pijn. Woedend keerde hij zijn ogen naar het drietal.

Toen gebeurde er nog iets raarders.

Gerda begon te krimpen. En dat niet alleen! Haar benen werden korter, haar oren verdwenen, haar neus en mond smolten samen tot één hard geheel en overal op haar lijf begonnen veren te groeien. Gerda was veranderd in... een zeemeeuw!

Gerda was niet de enige die een transformatie onderging. Er gebeurde ook iets met Erna. Terwijl ze in de zee sprong, werd haar lijf platter en verschenen er overal schubben. Opeens zwom er een rog naar het monster toe.

Petra bleef gelukkig wel Petra. Wel begon ze meer licht- en vuurstralen af te vuren. 

Op een gegeven moment kwam Hoop bij zinnen. ‘Fiona, ik bedoel Jackie, Po, Guus, Bob: pak een wapen uit het ruim en help de oudjes! Tatiku? Waar zit je?! We hebben je nodig!’ Maar Tatiku was weggerend, zijn kamer in. De lafaard!

Lodewijk stapte naar voren. ‘En ik, Wallem en de meiden dan? Kunnen wij iets doen?’ Hoop, zelf al met een zwaard in de hand, wierp hem een blik toe. ‘Hebben jullie vechtervaring? En trouwens, ik kan die meiden niet in gevaar brengen! Straks is momka haar man én haar dochter kwijt!’

‘Oké, dat is waar,’ gaf Lodewijk toe. ‘Maar ik wil iets doen!’ 

Hoop twijfelde even, maar stemde toen met tegenzin in. ‘Goed dan. Ga maar een wapen halen met de rest. Maar ga alsjeblieft niet dood!’ voegde ze er bijna smekend aan toe. Lodewijk staarde haar een paar tellen aan, maar sprintte toen weg. Hij koos een speer en een botte bijl uit en rende terug het dek op. Onderweg kwam hij momka, Milly, Mare en Zoë tegen, die door Hoop opgedragen waren om te schuilen. 

Eenmaal boven stuitte hij op Wallem, die hijgend vroeg: ‘Mag ik je speer lenen?’ Snel gaf Lodewijk hem zijn speer en met een welgemikte worp gooide Wallem hem in één van de zuignappen op de tentakels. Het monster krijste en probeerde de speer met een andere tentakel eruit te trekken. Ik kan je vertellen, dat is net zoiets als een splinter eruit proberen te trekken met twee vingers. 

‘Mooie worp,’ zei Lodewijk bewonderend. Wallem glimlachte. ‘Jaren van darten, denk ik.’ In het dorp was Wallem drie jaar op rij dartkampioen geworden. 

Lodewijk vond dat hij nu ook iets moest doen en gooide zijn bijl zo hoog mogelijk. Het was hoogstwaarschijnlijk puur geluk dat die precíes in het linkeroog van het monster terechtkwam. Die brulde woest en haalde een tentakel over het dek. De bemanning kon nog net op tijd wegspringen.

Opeens riep Po: ‘POEDER!’ 

Poeder? dacht Lodewijk verward. Waarom zegt- oh ja, Poeder. Po’s hond. Wacht- wat?!

Inderdaad, Poeder. De hond was uit het ruim gekomen om te kijken waar dat lawaai vandaan kwam. Toen hij zag dat zijn geliefde baasje en zijn vrienden bedreigd werden, had hij zich dapper vastgebeten in de tentakel die over het dek veegde.

Als reuzenoctopussen konden fronsen, had het monster nu fronsend naar Poeder gekeken. Daarna schreeuwde hij en slingerde hij Poeder weg.

‘Nee! POEDER!’ gilde Po nogmaals. Hij rende naar zijn hond toe en knielde huilend bij hem neer. ‘Poeder... oh, Poeder...’

Hoop ging naast hem zitten en zei: ‘Ga maar met hem naar het ruim.’ Po knikte beverig, tilde Poeder op en liep naar beneden. Zodra hij verdwenen was, gilde Hoop woest en bestormde ze de eerste de beste tentakel. 

Ze was helaas zo bezig met op die ene tentakel inhakken, dat ze de andere tentakel die op haar af kwam niet zag. Ik moet iets doen! dacht Lodewijk. 

‘Kijk uit!’ riep hij terwijl hij het zwaard van Po, die hij had laten vallen, oppakte en op haar afrende. 

 

Hoop hoorde Lodewijk roepen en draaide zich om. Te laat zag ze de tentakel op haar af komen. Dus dit is het einde, dacht ze. Ze hief haar zwaard en wachtte op de klap.

Die kwam niet.

Het monster schreeuwde woedend toen Lodewijk zijn zwaard in de tentakel zette. Hij trok zijn tentakel terug en duwde daarbij Hoop omver. Kwam die klap toch nog, dacht ze. Snel liep Lodewijk naar haar toe om haar omhoog te helpen. Hij stak zijn hand uit en Hoop nam hem aan. Lodewijk trok haar omhoog. 

Zo stonden ze tegenover elkaar. Ze keken elkaar aan.

Ze zagen allebei hetzelfde in elkaars ogen. 

En toen zoenden ze.

Om hem heen ging de strijd gewoon door. Petra vuurde lichtstralen af. Gerda klauwde naar de kop van het monster. Erna beukte met verrassend veel kracht tegen de onderkant van het monster aan en de bemanning bleef tentakels aanvallen en wapens gooien.

Het ging allemaal langs de twee heen.

De zoen was lang en innig. Hij duurde en duurde tot Hoop zich losmaakte en zei: ‘Laten we de anderen maar helpen.’ Lodewijk knikte verlegen. Ze raapten hun zwaarden op en gingen weer in de aanval.

 

‘Dit werkt niet,’ hijgde Hoop. Ze waren nu al een tijdje aan het vechten, maar ze hadden het monster nog steeds niet verslagen. ‘Hij kan overal tegen! Wapens, lichtstralen, Gerda de zeemeeuw en Erna de rog...’

Lodewijk dacht even na. ‘Hij is bestand tegen alle individuele aanvallen. Mmm... wat als... we onze krachten bundelen?’ 

Hoop knikte langzaam. ‘Dat zou wel eens kunnen werken! Iedereen, stop met aanvallen! Gerda, geef het door aan Erna, alsjeblieft!’ 

Even later stond iedereen hijgend om Hoop heen (behalve Gerda, die op de mast wachtte en Erna, die in het water lag). ‘Wat doen we nu, kapitein Hoop?’ vroeg Guus. 

‘We hebben allemaal gemerkt dat de aparte aanvallen niet werken,’ zei Hoop. ‘Lodewijk hier,’ ze knikte naar de verlegen Lodewijk, ‘kwam om het idee dat het monster er misschien minder tegen kan als iedereen tegelijk aanvalt.’ 

De bemanning leek niet echt overtuigd. ‘Waarom zou het monster niet tegen dezelfde aanvallen tegelijk kunnen?’ vroeg Fio... Jackie een beetje sceptisch. Iedereen was verbaasd dat Lodewijk antwoord gaf. ‘Als het monster zich op meerdere aanvallen tegelijk moet focussen, raakt het misschien in de war of geeft het op,’ legde Lodewijk ietwat verlegen uit. 

‘Misschien?’ vroeg Bob spottend. ‘Dus waarschijnlijk doen we de moeite voor niets?’ 

Als blikken konden doden, lag Bob nu levenloos op het dek. Hoop wierp hem zó’n vernietigende blik toe dat hij meteen ineenkromp en een beschaamd excuses mompelde. 

‘Misschien werkt het wel,’ zei Guus D'Ouwe overwegend. 

‘Er is maar één manier om daarachter te komen,’ zei Hoop. ‘Bemanning, klaar staan! Op mijn teken vallen we allemaal tegelijk aan!’ 

Petra fronste. ‘Wat is het teken dan?’ 

Hoop keek haar een beetje ongemakkelijk aan. ‘Eh... nou, gewoon, ik tel af en dan zeg ik: “NU!!” En dat is het teken.’ 

Petra wuifde haar ongemakkelijkheid weg. ‘Tja, er schijnt vaak verwarring te ontstaan als iemand “op mijn teken” zegt. Ik wilde het gewoon even checken.’ 

Hoop knikte begrijpend. ‘Oké, iedereen klaar? Gerda en Erna ook? 3... 2... 1... NU!’ 

Het was spectaculair. 

Ten eerste waren er Jackie, Guus D'Ouwe, Bob, Lodewijk, Wallem en Hoop. Zij hakten keihard in op elke tentakel die ze maar konden vinden. Hun strijdkreten werden vaak vermengd met het boze en gepijnigde geschreeuw van het monster. 

Ook Petra was geweldig. Ze bleef onvermoeibaar licht- en vuurstralen en -bollen afvuren. Als je er veel achter elkaar van afschiet, blijkt het toch best schadelijk, merkte het monster. Al snel zat hij onder de brandplekken.

En last but not least, Gerda de zeemeeuw en Erna de rog. Blijkbaar konden ze in hun dierlijke vorm ook magie beheersen, want soms spuwde Gerda vuur of sloegen er vonken van Erna’s schubben.

Elke keer vielen ze zo’n tien seconden aan, trokken ze zich terug en vielen ze tien seconden erna weer aan. En met elke aanval werd het monster zwakker. Maar de bemanning ook.

‘Kapitein Hoop!’ schreeuwde Wallem. ‘Dit houden we niet lang meer vol!’ 

‘Ik weet het!’ riep Hoop terug. ‘Maar ik heb geen idee wat ik anders moet doen,’ mompelde ze erachteraan.

Opeens rende er een kleine gedaante over het dek. Het was Mare! Ze had eerst zitten schuilen in kamer 1, maar ze kon er niet tegen dat ze niet kon helpen. Dus zodra ze haar kans zag, glipte ze de kamer uit. En nu stond ze bij de reling en mompelde ze onverstaanbare dingen.

‘Mare! Ga terug naar beneden!’ riep Hoop haar toe. ‘Nee!’ schreeuwde Mare heel hard uit het niets. ‘Ik heb genoeg van al dat wachten en niets doen! Het wordt tijd dat ik u eens op een andere manier help dan het weer voorspellen!’ En ze mompelde weer verder.

‘Wat moet ik je vader vertellen als je het niet overleeft?’ vroeg Hoop, nu een beetje boos. Mare’s rug verstrakte, maar ze antwoordde niet. ‘Mare doe wat ik zeg!’ schreeuwde Hoop, nu kwaad.

Plots riep Mare: ‘Oh, heilige zee, mijn beste vriendin voor eens en voor altijd, verlos mij en mijn vrienden van dit afgrijselijke monster! Bevrijd ons van deze meedogenloze tiran zodat wij verder kunnen reizen naar vreemde nieuwe plekken!’

Even dacht Hoop dat het kind gek geworden was. Maar toen herinnerde ze zich hoe sterk de band tussen Mare en de zee was. En daarna herinnerde ze zich dat Mare onmiddellijk weer naar het ruim moest. Ze wilde haar net weer roepen toen er iets gebeurde wat misschien wel het raarst van allemaal was.

De zee luisterde naar Mare.

Hoop had het vreemde gevoel dat de zee zich terugtrok. Ze had geen idee of het waar was.

Het water rond het monster begon heftig te kolken. Die laatste keek niet-begrijpend naar de zee. Je kon zijn kleine hersens bijna horen kraken: hè? Wat is er nu weer aan de hand?

Lodewijk was de eerste die wél begreep wat er gebeurde. ‘Een draaikolk!’ mompelde hij zo zacht dat niemand hem hoorde.

Dat was precies wat het was. Te laat had het monster door wat er gebeurde. En door alle aanvallen van de bemanning was hij zo verzwakt dat hij nauwelijks kon tegenstribbelen. Met een zwakke krijs van woede werd het monster de diepte ingezogen.

‘Waar hij thuishoort,’ fluisterde Mare trots.

~

Na het gevecht veranderde er veel. Het monster had het schip losgelaten (gelukkig maar, anders had de zee het wel geregeld), en door de klap op het water werd een deel van het voedsel oneetbaar. Nu hadden ze nog maar eten voor een half jaar over. De meesten maakten zich er geen zorgen over, maar soms piekerde Hoop erover dat haar bemanning en zij stierven van de honger en dorst.

Ook de verhouding tussen de bemanning was veranderd. Iedereen op Rán’s Hoop had nu ontzag voor Erna, Gerda en Petra. Die nutteloze, oude vrouwtjes bleken drie supercoole, machtige goede heksen te zijn! Hoe geweldig is dat? Ook was er meer respect voor Mare en Lodewijk. Lodewijk kwam met een goed plan én redde het leven van Hoop hun kapitein. Als dat niet geweldig is...

En dan Mare. “Het dappere zeekind”, zo werd ze genoemd. Zij was degene die de zee opdroeg om het monster weg te vagen. En nog indrukwekkender: de zee luisterde! En dat voor een veertienjarige!

En over respect gesproken, het respect voor Tatiku was zo goed als verdwenen. Po (en de rest van de bemanning steunde hem volledig) had in geuren en kleuren verteld hoe hij het ruim invluchtte. Door het gebrek aan respect werd Tatiku nu dan ook gewoon weer bij zijn echte naam genoemd: Jan.

Poeder werd ook geprezen. Hij had een harde klap gehad en zijn voorpoot verzwikt, maar verder was hij gezond en werd hij snel beter. Po vertelde ook in geuren en kleuren over Poeders heldhaftige beet. 

Het werd uiteindelijk ook bekend dat Hoop en Lodewijk nu iets hadden. Iedereen feliciteerde hen. Zelfs Tati... eh, Jan. De hele bemanning vond dat ze goed bij elkaar pasten.

Uiteindelijk ging het “normale” leven op het schip weer verder.

Totdat... 

‘Goed, bemanning,’ zei Hoop bij het ontbijt. ‘Ik heb slecht nieuws. We moeten op rantsoen.’

Overal om haar heen klonken verbaasde kreten en protesterend geroezemoes. Jan was het er het meest mee oneens. Hij stond op. ‘Hoezo moeten wij opeens minder eten? Hoop, je bent de slechtste kapitein ooit!’ riep verontwaardigd. 

‘Oh, hou je grote mond toch, laffe hond!’ riep Po boos terug. Poeder jankte. ‘Oh, niet jij hoor, Poeder,’ stelde Po hem gerust. ‘Jij bent een geweldige dappere hond!’ 

‘Luister,’ ging Hoop verder. ‘Ik wil ook niet op rantsoen, maar we hebben nog maar eten voor drie maanden en we zijn nog maar net de mist uit!’

Weet je nog dat ik het in het begin had over de mist die over de zee hing? In de loop van de reis vervaagde die mist steeds meer en meer. Een maand geleden vaarden ze eindekijk de mist uit. Maar er was nog steeds geen land aan de horizon te zien.

Mopperend ging Jan weer zitten. Daar hield hij snel mee op toen hij de ijskoude blikken van de bemanning zag.

‘Het spijt me, jongens, maar ik wil voorkomen dat we sterven van de honger,’ verontschuldigde Hoop zich. ‘En Milly dan? Zij moet nog groeien!’ riep momka. ‘Mare en Zoë trouwens ook!’

‘Nogmaals, het spijt me,’ herhaalde Hoop, ‘en ik snap dat je je zorgen maakt, momka, maar ik vind dat iedereen op dit schip, in de groei of niet, evenveel eten moet krijgen.’ Met tegenzin gaf momka toe.

 

De twee maanden daarna waren slopend. Iedereen was veel prikkelbaarder dan normaal door het rantsoen. En als het windstil was (wat steeds vaker voorkwam) en er geroeid moet worden, was iedereen aan het eind van de dag chagrijnig en moe. Zelfs de opgewekte Po kon dan geen energie mee opbrengen om iedereen op te vrolijken. Hoop en Poeder probeerden de bemanning erdoorheen te loodsen, maar het was bijna zinloos.

Toen er nog maar voor één maand eten was en er nog steeds geen land in zicht was, raakte Hoop écht in paniek. Ze voerde een nog lager rantsoen in. De bemanning protesteerde zwakjes, maar ze waren erg uitgeput en eigenlijk begonnen ze zichzelf ook zorgen te maken. Was de zee dan echt oneindig? 

Op een gegeven moment was er nog voedsel voor twee weken. ‘Wordt het rantsoen nog lager, kapitein?’ vroeg Jackie aan Hoop. Maar die schudde haar hoofd. ‘Nee, dan sterven we alsnog van de honger terwijl we nog voedsel hebben, dat is absurd!’

Dus werd het ruim leger en leger. Tot er nog maar eten voor drie dagen in de voorraad lag. Ieder lid van de bemanning was ervan overtuigd dat ze op zee zouden sterven, helemaal alleen. 

Totdat...

‘Land in zicht!’ gilde Po vanuit het kraaiennest. Ondanks zijn schorre stem hoorde iedereen hem. De vermoeide leden van Rán’s Hoop sprongen op om zelf te kijken.

En ja hoor! In de verte kon je nog maar net een hagelwit strand met een blauwe vuurtoren onderscheiden. Iedereen begon te juichen.

Hoop wendde zich tot haar vijftien trouwe, dappere bemanningsleden. ‘Vrienden! Loyale, lieve vrienden! Ik heb een geweldig idee! Waarom houden we niet een overwinningsmaaltijd op het schip en roeien dan keihard naar het strand?’

‘We weten niet eens of er daar mensen wonen,’ mopperde Jan, die altijd wel iets te klagen had. ‘Volgens mij ben jij blind, want anders had jij die knalblauwe vuurtoren wel gezien!’ kaatste Po terug.

‘En wat nou als die vuurtoren niet genoeg eten heeft voor vijftien hongerige mensen en een hond?’ vroeg Jan.

‘Dan vragen we het gewoon bij die stad achter de duinen!’ zei Hoop. Iedereen keek verbaasd achter de duinen door en zagen dat Hoop gelijk had. 

Hoop beval: ‘Wallem, momka en de drieling, maak de lekkerste maaltijd die je kan maken!’

En dat deden ze. 

Er was niet veel meer. Wat tomaten en eieren die, wonder boven wonder, niet kapot waren gegaan tijdens het gevecht, aardappelen, brood en ham.

De uitkomst was geweldig. 

De aardappelen werden frietjes met zeezout (dat hadden ze in overvloed), de tomaten werden Wallems sappige tomatensoep, de eieren en ham werden eggs and bacon en er was nog brood voor wie honger had.

Ook over het drinken werd niet geklaagd. Het was gewoon water, maar ze mochten alles opmaken deze keer, ze hoefden zich niet in te houden, ook niet bij het eten. Al snel was alles op.

‘Zijn jullie klaar om te roeien voor je leven?’ riep Hoop. Verschrikt keek de bemanning haar aan. Ze grinnikte ongemakkelijk. ‘Sorry, niet zo’n toepasselijke uitspraak. Ik bedoel: zijn jullie klaar om te roeien naar het onbekende?’

Het bleef even stil en Hoop was bang dat ze weer iets verkeerds had gezegd. Maar toen riep F... Jackie: ‘Helemaal klaar!’ en al snel viel de rest haar bij. Hoop glimlachte. ‘Let’s go!’

~

Twee uur later schoof Rán’s Hoop het witte strand op. Doordat de zeilen gehesen waren én er geroeid werd, waren ze er al snel. Maar ze waren wel erg uitgeput en verlangden naar nog een maaltijd.

De vuurtorenwachter had blijkbaar het stadje gewaarschuwd, want al snel stonden er allemaal nieuwsgierige maar ook een beetje bange mensen rond het schip. Een dapper iemand vroeg: ‘Wat komen jullie hier doen?’ Hij kreeg bijval: ‘Ja, wat willen jullie?’ ‘Ga terug naar waar je vandaan komt!’

Hoop liep naar de reling. ‘We komen in vrede!’ zei ze ietwat schor. Opnieuw begon het geroep. ‘Tssk, in vrede...’ ‘In vrede ons land binnenstormen, zeker?’

Hoop stak een kalmerende hand op. ‘Luister, het spijt mij en mijn bemanning dat we zomaar jullie mooie land zijn binnengevaren, maar we zijn moe en hebben honger en dorst. Is er ergens een plek waar we een maaltijd kunnen krijgen?’

De meute keek elkaar twijfelend aan. Die jonge vrouw sprak met gezag en ze zag er sympathiek uit. Maar er was nog nooit een schip (terug)gekomen over die zee...

Hoop zag hun twijfel en zei: ‘Zonder eten of voorraad kunnen we ook niet weg. En ik zou jullie heel dankbaar zijn als jullie ons hielpen.’ 

Opeens ontstond er opschudding in de groep mensen. De meute week uiteen in twee rijen en er kwam een jongedame van zo’n zeventien jaar naar voren. Naast haar liepen een gespierde maar oude man en een meisje van een jaar of acht, negen. Je zag zo dat de meiden zussen waren. Allebei hadden ze stijl, zwart haar en dezelfde dicht bij elkaar staande blauwe ogen. 

De stijl van hun haar was compleet anders. Het kleine meisje droeg het lang in twee vlechten. Ook had ze een pony. De grote zus droeg haar haar heel anders. Het was in een korte bob geknipt. Beide zussen stond het goed.

De man was andere koek, dat zag je zo. Hij was oud, maar ook lang en gespierd. Zijn haar kwam tot zijn schouders. Hij had ook een baard. Het was bruin met strengen grijs erdoorheen. Hij keek met een strenge blik de wereld in.

De grote zus begon te spreken. ‘Ik ben koningin Rowena Floran. Dit,’ ze wees op de oude man, ‘is mijn persoonlijk adviseur-’ 

‘Die zegt dat de koningin te veel informatie geeft,’ bromde de man met een diepe basstem. Koningin Rowena negeerde hem. ‘Mijn persoonlijk adviseur dus, met de naam Goderik. En dit is mijn zusje, Elsa.’ Prinses Elsa blies heel niet-prinsesachtig haar pony uit haar gezicht. 

Hoop maakte een kleine buiging. ‘Ik ben vereerd u te ontmoeten, majesteit. Mijn naam is Hoop Visman en ik ben de kapitein van dit schip. Ik, mijn veertien bemanningsleden en een hond hebben anderhalf jaar lang de Eindeloze Zee afgevaren om te ontdekken wat er aan de overkant lag, en of er überhaupt een overkant was.’ Een paar mensen grinnikten en ook prinses Elsa kon een giechel niet onderdrukken.

‘Wij hebben de nodige gevaren doorstaan om hier te komen en ik hoop dat mijn bemanning en ik een beetje kunnen bijkomen voordat we vertrekken.’ 

Koningin Rowena knikte. Ze vond die Hoop wel sympathiek. ‘U en uw bemanning mogen in mijn kasteel verblijven zolang u hier bent. Als u wilt.’

Goderik protesteerde. ‘Uwe majesteit, is dit wel een slim idee? U weet helemaal niets van dit buitenlandse stelletje ongeregeld! Stel nou dat ze de troon willen stelen?’

Hoop sloeg een hand voor haar mond. ‘Oh nee, dat zou ik nooit doen! En ik bedank u voor het aanbod, maar als het uw adviseur niet lekker zit kunnen we ook gewoon in ons schip slapen, hoor! We zijn het gewend,’ voegde ze eraan toe.

Maar de koningin schudde haar hoofd. ‘Ik sta erop!’ zei ze plechtig. ‘En Goderik is gewoon veel te wantrouwig.’ 

Wat is ze volwassen voor haar leeftijd, dacht Hoop bewonderend. Maar die bewondering vervloog voor een deel toen Goderik en Rowena begonnen te kibbelen.

‘Koningin, dit is een slecht idee! U bent veel te impulsief!’ 

‘En jij bent paranoïde!’

‘Ik ben niet paranoïde, ik ben voorzichtig! Vergeet niet wat er met uw ouders gebeurd is!’

Bij die woorden verstrakte de koningin. ‘Luister, Rowena,’ ging Goderik wat vriendelijker verder, ‘ik wil dit niet kwaad gaan spelen. Maar ik heb uw ouders beloofd dat ok op u en uw zus zou passen. En ik wil geen enkel risico nemen.’

‘Ik vind dat ze het kasteel in mogen,’ zei prinses Elsa ineens. Verbaasd keken Goderik en Rowena haar aan, alsof ze waren vergeten dat zij er ook nog was. ‘Ik vind kapitein Hoop aardig,’ ging ze verder. ‘En ik denk niet dat iemand zoals zij met een boot vol malloten op reis zo gaan.’

Hoop kromp een beetje ineen. Dat was precies wat ik deed, dacht ze. Gelukkig merkte niemand haar ongemakkelijkheid.

‘Kom op Goderik!’ zei koningin Rowena. ‘Als zelfs mijn zusje het vindt...’ 

‘Nou goed dan,’ gaf Goderik toe. ‘Maar als er iets gebeurt, vergeet dan niet dat ik u gewaarschuwd heb!’ 

Hoop zuchtte opgelucht. Toen zei ze: ‘Ik roep even de bemanning bij elkaar.’ Ze liep naar de bemanningsleden, die haar verwachtingsvol aankeken. Hoop glimlachte breed. ‘We zijn welkom! We mogen zelfs in het kasteel van de vorstin logeren!’

Er ontstond geroezemoes en de bemanning keek elkaar blij verrast aan. Mogen logeren in een koninklijk kasteel, dat maak je niet elke dag mee!

De loopplank wed uitgeschoven en één voor één liepen de bemanningsleden het strand op. Opeens klonk er geschreeuw. Een man met een blonde baard worstelde zich door de menigte. Keihard riep hij: ‘MILLY!!’ 

Milly, die op dat moment de plank af liep, keek verbaasd op. Maar haar verbazing veranderde in herkenning en daarna in verrukking, en ze stormde op de man af. ‘PAPA!’ gilde ze dolblij. Milly’s vader nam haar in de armen en knuffelde haar plat. ‘Mijn meisje, mijn lieve dochter, mijn Milly...’ mompelde hij.

‘Martin?’ Momka stond doodstil op de plank. Ze staarde een paar tellen naar haar man en omhelsde hem toen huilend. ‘Ik d.… dacht d-dat je dood w-was!’ snikte ze.

De meute keek verbaasd toe. Hoe kende die drie mensen elkaar? Ook koningin Rowena wierp Hoop een vragende blik toe. 

‘Milly’s vader vertrok ooit op een schip en kwam nooit meer terug,’ legde Hoop uit. ‘Blijkbaar leeft hij nog!’ 

Rowena knikte begrijpend. Toen keek ze weer naar het herenigde gezinnetje. ‘Ze zijn zo ontroerend samen,’ zei ze. 

~

De bemanning van Rán’s Hoop bleven nog een lange tijd bij koningin Rowena logeren. Lodewijk had eindelijk een naam bedacht voor het monster dat hen bijna vermoord had. Op een dag rende hij de eetzaal binnen en riep hij: ‘Ik heb het bedacht! Ik heb de naam van het monster!’

Achttien nieuwsgierig paar ogen (Rowena, Elsa en Goderik waren er ook bij) keken hem aan. Hoop vroeg: ‘Wat dan, Lodewijk?’

‘Ik noem hem: de Kraken!’ onthulde hij trots.

Jackie proestte het uit. ‘De Kraken? Waar slaat díé naam op?!’

Hoop gaf haar een boze stomp.

‘Waarom hem je hem zo genoemd, Lodewijk?’ vroeg Rowena.

‘Hij is vernoemd naar het kraken van het schip toen die viel,’ antwoordde Lodewijk, plots een beetje nerveus.

Bob trok een wenkbrauw op. ‘Kon je niet een... iets minder complexere naam kiezen? Reuzenoctopus, bijvoorbeeld? Of tentakelbeest?’ 

Lodewijk rolde met zijn ogen. ‘Dat is toch vééél te cliché? Geloof me, “Kraken” is de beste.’

Uiteindelijk gingen ze terug naar hun eigen dorp. Hoop wilde dolgraag bewijzen dat er nog een andere wereld was voorbij de Eindeloze Zee. Maar toen de bemanning weer thuis was, leken hun normale leventjes ondragelijk saai. Zelfs Milly en haar ouders, die zielsgelukkig waren met elkaar, begonnen zich te vervelen. 

Op een dag riep Hoop haar voormalige bemanning weer bij elkaar. Ze verraste hen met de vraag of ze misschien nogmaals op pad wilden. Jackie, Po (en Poeder dus), Lodewijk, Guus D'Ouwe en Bob zeiden meteen ja. De rest twijfelde nog, maar diep van binnen wisten ze het antwoord al. Nadat ze toegezegd hadden, de eerste keer, was hun leven nooit meer hetzelfde geweest.

Tot ieders verbazing ging Jan ook mee. In het dorp wist niemand over zijn afgang in het gevecht met de Kraken, dus waarom zou hij weer weggaan?

Toen iemand het hem vroeg, haalde hij zijn schouders op. ‘Die fans zijn wel leuk, maar op Rán’s Hoop heb ik tenminste echte vrienden,’ legde hij uit. Niemand had ooit gedacht dat uit Jans mond te horen.

En dus voeren ze weer weg, de eindeloze, of eigenlijk, eindige zee op. Ze ontdekten eilanden, andere kusten, koninkrijken en provincies. 

Een paar jaar nadat ze opnieuw waren uitgevaren, verkondigde Hoop dat zij en Lodewijk wilden trouwen op het schip. Gelukkig had Guus D'Ouwe een cursus gedaan hoe je twee mensen moest trouwen. Het was een beetje een rommelige bruiloft, maar dat paste precies bij de omstandigheden.

Iedereen was gelukkig op het schip.

Het was hun thuis.

EINDE

Nawoord

30-11-2025

Het zal je misschien verbazen, maar dit verhaal is niet alleen van mij. Het is ook van mijn moeder, mijn broertje en mijn zusje. 

Het begon allemaal toen we twee jaar geleden op vakantie waren in Schotland. Een prachtig, puur land, met overal bergen en kleine dorpjes. Ik raad het absoluut aan om daarheen te gaan. 

Maar goed, we waren met het hele gezin (mijn ouders, mijn broertje, mijn zusje en ik) een wandeling aan het maken, toen we ontdekten dat we verdwaald waren. Omdat ik de verhalenverteller van de familie ben, begon ik met een verhaal. 

 Ik was eigenlijk van plan het niet verder te laten komen dan de ontdekkingsreizigers die het dorp bereikten. Maar mijn moeder pikte dat niet; het was veel te kort, en trouwens, we liepen nog steeds ergens in the middle of nowhere, dus dit kón het einde niet zijn.

Hakkelend ging ik verder. Er was een meisje... nee, een jonge vrouw, ja, een hele dappere, en ze... ze wilde varen! Ze wilde gaan waar niemand ooit was geweest, en ze had vijftien bemanningsleden bij zich.

Mam was meteen één en al oor. Of ze ook wat over die bemanningsleden mocht vertellen. Natuurlijk mocht dat. Ik had toch niet zoveel inspiratie. 

Zo begon het. Terwijl we wandelden, bedachten we het ene na het andere personage. Mijn broertje en mijn zusje deden ook mee. Zo heet Fiona Jackie vanwege haar, en noemde mijn broertje mam altijd momka. 

Uiteindelijk, toen we weer bij onze camper waren, greep ik 

mijn schriftje en schreef alles op, voordat ik het zou vergeten. Dat nooit.

Ik weet niet precies meer op welk punt ik in mijn eentje verder ging. Ik denk dat het vlak na de introductie van de vijftien leden was. Ik weet wel dat ik twee jaar geleden nooit verwacht had om een verhaal van meer dan 7200 woorden te schrijven. Maar het was een geweldig avontuur, en ik hoop het ooit weer eens te beleven. "De Oneindige Zee" is van ons samen, en dat zal ik nooit vergeten.

Noor van der Louw 

Wist je dat...

Leuke feitjes over De Oneindige Zee!

...Rán een Noorse zeegodin is?

... “Die jongeman van verderop” eigenlijk één van de zonen van Guus D'Ouwe (die niets durfden) was? Daar had Hoop dus al helemaal niets aan gehad!

...Wallem, Jackie, Po, Poeder, Guus D'Ouwe, Jan, Bob, Milly, momka, Erna, Gerda en Petra grotendeels door mijn moeder zijn bedacht? Mare, Lodewijk en Zoë waren mijn ideeën, net als Hoop.

...er in Griekse mythologie ook drie oude, breiende vrouwtjes voorkomen? Het zijn de Moiren, de godinnen van het lot. Clotho spint jouw levensdraad, Lachesis meet hem, en Atropos knipt hem af als het tijd is om sterven. Oorspronkelijk waren Erna, Gerda en Petra hier niet op gebaseerd, maar het is wel een mooie connectie.

...mams sporthorloge heel raar deed toen ze over Poeder vertelde? Ze deed voor hoe enthousiast de hond tegen Po opsprong (‘Mag ik ook mee? Mag ik ook mee?’), maar omdat ze het horloge had aangezet voor het wandelen, dacht het bij haar bewegingen dat er iets ergs aan de hand was (‘Ongeval gedetecteerd,’) en vroeg of hij 112 moest bellen. Dat was natuurlijk niet het geval!

...Petra ook in een dier kan veranderen? Haar vorm is een kat, en dat is ook gelijk de reden dat er nooit ratten of muizen aan boord van Rán’s Hoop te vinden zijn.

...Martin, Milly’s vader, ook werd benoemd als bemanningslid van Rán’s Hoop? Dat is eigenlijk best logisch, want Hoop zou het gezinnetje voor geen enkele prijs meer uit elkaar willen halen.

© Copyright. Alle rechten voorbehouden.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.